Bulletin van het Nederlands Omar Khayyám Genootschap
7/03/2006
Omariana Zesde jaargang - nummer 1

IN DIT NUMMER

Omar voor dierenliefhebbers
De meeste nieuwe uitgaven van de Rubáiyát zijn saaie en onbeduidende boekjes die niets toevoegen aan het vele dat er al is. Veel leuker is wat er langs de zijlijn gebeurt, zoals het parodiëren van Omar en zijn Rubáiyát. Jos Biegstraaten stelde naar aanleiding van een tweetal recente uitgaven een klein overzicht samen van parodieën waarin huisdieren de hoofdrol opeisen.
Illustrating the Rubaiyat
Bill Martin en Sandra Mason doen onderzoek naar de vele illustratoren van de Rubáiyát. Ze nemen drie bekende namen onder de loep, die meer dan één reeks illustraties maakten: Frank Brangwyn, Gilbert James en Willy Pogány.
Johan van Schagen
Op 31 oktober verleden jaar overleed Johan van Schagen, vertaler en kenner van Omar. Enkele woorden aan zijn nagedachtenis door Jos Biegstraaten.
Nieuwe uitgaven
Verder in dit nummer signaleren we toch maar weer een aantal nieuwe uitgaven van de Rubáiyát.
Literatuur
De discussie over de authenticiteit van Omars geschriften krijgt weer een nieuwe impuls door een kritische bespreking van "The Wine of wisdom" door Robert Irwin in het Times Literary Supplement van december 2005. Verder signaleren we nog enkele interessante studies

Naar boven 

 

OMAR VOOR DIERENLIEFHEBBERS
Onlangs verscheen in de Verenigde Staten de Rubáiyát of Rover Khayyám [1]  Het is een parodie, bestaande uit 75 kwatrijnen, gebaseerd op de bekende Rubáiyát of Omar Khayyám van Edward FitzGerald. De tekst op de achterpagina meldt dat het is geschreven door Edward FizHound, pseudoniem voor de kinderboekenschrijver Malcolm Hall. In de inleiding wordt beschreven hoe de Dalmatiër Rover in juli 1992 de tuin van de schrijver binnenliep en blafte om een tape recorder. Hij bleek die nodig te hebben om zijn literaire testament te dicteren: de voorliggende parodie. Het is een aardig boekje, mede dank zij de illustraties van Glen Weisberg. Een paar jaar geleden, in 1999, konden kattenliefhebbers zich ook al verheugen op een ‘testament to feline intelligence, wisdom and cunning’. Ook hier werd de tekst gedicteerd, nu door een kat, aan Carl Japikse, die de 104 kwatrijnen van zijn poes uitgaf in een boekje getiteld The Ruby Cat of Waldo Japussy [2]. De schrijver verhaalt hoe zijn kat in kattenpotenschrift een aantal kwatrijnen had neergepend, maar overleed voor hij zijn werk afhad. Na zijn dood verscheen Waldo aan zijn meester om de resterende verzen te dicteren. Bij Waldo’s bespiegelingen over de zin van het kattenleven maakte Nancy Maxwell illustraties. Parodieën op de rubáiyát met katten en honden in de hoofdrol vinden we al aan het begin van de 20e eeuw. De eerste en de meest bekende is The Rubáiyát of a Persian Kitten , geschreven en geďllustreerd door Oliver Herford [3]. Het verscheen in 1904, en niet in 1908 zoals Potter in zijn bekende bibliografie uit 1929 ten onrechte meldt [4]. Het was een buitengewoon populaire parodie, die vele malen herdrukt is. Aan de door Potter gemelde herdruk waren er al enkele voorafgegaan en andere zouden volgen in de jaren daarna. Het bleef een geliefd boekje: nog in 1993 verscheen een herdruk en het werd in 1994 door Barbara Raheb gebruikt om er een miniatuur uitgaafje van te maken. Aan de aandacht van Potter ontsnapten twee andere parodieën op huisdieren. Allereerst The Rubáiyát of a Scotch Terrier , een parodie uit 1926 van de hand van Sewell Collins, die er ook tekeningen bijmaakte ter herinnering aan zijn geliefde "Socks" [5]. Hoewel de lotgevallen van het hondje niet zo’n groot publiek bereikten als die van het Perzische poesje, was het boekje  toch goed voor herdrukken in 1927 en 1942. Een volstrekt vergeten, maar buitengewoon aardig boekje is The memoirs of Micky , waarin een fox-terrier zijn levensverhaal vertelt. Micky verhaalt hoe hij zijn baasje wel eens hardop vierregelige versjes hoorde lezen, waarvan hij aanneemt dat ze geschreven zijn door een Ierse voorvader, O’Mick-I-Am genaamd [6]. De versjes inspireren Micky tot kwatrijnen die af en toe in de tekst opduiken en samen The Rubáiyát of O’Mick-I-Am vormen. Het boekje moet geschreven zijn rond 1927. Ook in 1938 komen we een hond tegen die verzen dicteert. In de inleiding op The Rubaiyat of Omar Ki-Yi lezen we dat een hond in de universiteitsbibliotheek zo werd aangetrokken tot een ‘dog-eared copy of the Rubaiyat on a bottom shelf’, dat hij er een flink stuk van had verorberd [7]. De auteur, Burges Johnson, betrapte hem. In ruil voor de belofte hem niet aan de bibliothecaris te verraden, dicteert het hondje, een Schotse terrier, hem en Mr. Dennis zijn ‘metrical experiments’. En zo kunnen wij kennis nemen van 40 kwatrijnen met geestige tekeningen van Morgan Dennis. Tot zover deze korte beschrijving van parodieën op de rubáiyát met huisdieren in de hoofdrol. Waarschijnlijk is ook The Rubáiyát of Omar Dog-yám [8] een parodie met een hond als onderwerp. Potter vermeldt deze titel in zijn bibliografie onder nummer 1164. Andere dan deze zijn mij niet bekend, maar het is best mogelijk dat er vandaag of morgen nog andere uitgaafjes opduiken. Parodieën op de rubáiyát verschenen voor het eerst aan het eind van de 19e eeuw. Aan het begin de van 20e eeuw verschenen er tientallen, vaakgeďllustreerd. Potter beschrijft er 75 in een apart hoofdstuk van zijn bibliografie. De meest uiteenlopende onderwerpen vonden een plaatsje in deze parodieën. In het Jaarboek IV van het Omar Khayyám Genootschap dat binnenkort verschijnt, wijd ik er een bijdrage aan. Nog uitgebreider bespreek ik dit onderwerp in een artikel, getiteld "Omar with a smile", in het tijdschrift Persica, dat in het eerste kwartaal van 2006 verschijnt.

Hoorn, januari 2006
Jos Biegstraaten

Noten
1. Rubáiyát of Rover Khayyám. Rendered into English verse and annotated by Edward FitzHound. Illustrations by Glen Weisberg. New York, Lincoln, Shanghai, iUniverse Inc., 2005.
2. The Ruby Cat of Waldo Japussy. As dictated to Carl Japikse. Illustrations by Nancy Maxwell. Atlanta Georgia, Enthea Press, 1999.
3. The Rubáiyát of a Persian kitten. By Oliver Herford. New York, Charles Scribner's Sons, 1904.
4. A bibliography of the Rubáiyát of Omar Khayyám. Together in kindred matter in prose and verse pertaining thereto . Collected and arranged by Ambrose George Potter. London, Ingpen and Grant, 1929.
5. The Rubáiyát of a Scotch Terrier. By Sewell Collins with drawings by the author. London, Grant Richards Ltd., 1925.
6. The memoirs of Micky. A Fox Terrier with which is interspersed The Rubáiyát of O'Mick-I-Am. Edited by Basil Trevor. London, C.W. Daniel, [ca. 1927].
7. The Rubaiyat of Omar Ki-Yi and other waggigh rhymes. By Burges Johnson. Illustrated by Morgan Dennis. New York, G.P. Putnam's Sons, 1938.
8. The Rubáiyát of Omar Dog-yám. By A. Safroni-Middleton. London, Thomas Murby & Co., 1914.
Naar boven
ILLUSTRATING THE RUBAIYAT
ARTISTS WITH MORE THAN ONE PORTFOLIO
In our researches into the publication and illustration of Edward FitzGerald’’s versions of the Rubaiyat of Omar Khayyam, we have identified over 130 different artists who have worked to ‘illuminate’ the poem [1]. Most have produced only one set of illustrations, which may comprise only one or two pictures, or as many as 75, one for each of the quatrains of the first edition. But there are three particular artists who have made more than one attempt to illustrate the Rubaiyat, creating distinctively different portfolios. They are three of the big names in Rubaiyat illustration, viz Frank Brangwyn, Gilbert James, and Willy Pogany.

FRANK BRANGWYN
The situation for Frank Brangwyn is relatively simple. This well known Welsh artist produced his first set of five paintings to illustrate a version of FitzGerald’s Rubaiyat which was published by Gibbings in 1906. These paintings were reprinted several times in the following years, but in 1910 an edition of the Rubaiyat with eight Brangwyn illustrations was produced by T.N. Foulis. This version included six new paintings, plus two which at first sight look very similar to those in the original Brangwyn edition. But a detailed examination suggests that the artist reworked some of the imagery, changing poses and colours slightly. So the 1910 Brangwyn version can be considered as a second portfolio. This second portfolio was further extended in 1919, when Foulis published another edition containing an additional seven illustrations together with the earlier eight paintings.

GILBERT JAMES
For Gilbert James, the story is much more complicated. James’ first illustrations for various quatrains of the Rubaiyat were published individually, in black and white, in various editions of British magazines, mainly The Sketch, between 1896 and 1898. 14 of these illustrations were subsequently collected together in a portfolio and published with the accompanying verses in 1898 by Leonard Smithers. They were then used, still in black and white, in various full text editions produced from 1899 onwards. A coloured version of these pictures was produced in 1908 by R.F. Fenno, possibly with the help of Charles Copeland whose name is found on pictures in a later version of these pictures. Meanwhile, it seems that Gilbert James prepared a second set of four illustrations which were published by T.N. Foulis in 1907. Finally in 1909, a third portfolio of 16 James illustrations was presented in an edition of the Rubaiyat from A. & C. Black. Some of the illustrations bear a great deal of similarity to those in the first version, although they are clearly different pictures. Publishers have also complicated matters by sometimes allocating comparable illustrations to different quatrains in their respective versions [2].

WILLY POGANY
The history of Willy Pogany’s three portfolios of illustrations for the Rubaiyat is very different. Pogany produced his first and best known portfolio of 24 illustrations for an edition published by George G. Harrap in 1909. This set of rather impressionistic illustrations has been reprinted very many times, right up to the present - the latest version that we know of was in 1999. But in 1930, Thomas Y. Crowell in the USA and Harrap in the UK produced another edition of the Rubaiyat with a totally new set of 13 Pogany illustrations. For these, the artist had clearly rethought his interpretation and, while there are similarities in style, the subject matter and the choice of verses to illustrate are frequently different. Some of the small decorative figures in the 1930 edition foreshadow the major changes that Pogany made for his third portfolio. This could almost be the work of a completely new illustrator. In place of the water-colour painting and generally rather oriental subject matter, with figures rather ill-defined, the third portfolio is of black and white drawings, with strongly presented figures, sometime nudes, and generally very Western in style. Our examples show the three versions for quatrain 42, the one verse chosen for illustration by Pogany in all three of his portfolios.

 

 

 



Pogany first portfolio Illustration for quatrain 42

 

 

 


 


Pogany second portfolio Illustration for quatrain 42

 

 

 


 


Pogany third portfolio Illustration for quatrain 42

 

We can find no information about why these three artists chose to produce multiple portfolios of illustrations for FitzGerald’s Rubaiyat. We can speculate that perhaps, in the case of James, copyright issues may have played a part. If the artist had not held on to the copyright to his original pictures, he may well have needed to rework them for subsequent new editions. On the other hand, Brangwyn may simply have wished to revisit his original ideas for the new edition. As an established artist, he would quite likely have retained the copyright on his illustrations. For Pogany, it may be quite simply that the artist had a new creative urge for each portfolio, reflecting his personal development over the 30 years that separate the first and third portfolios. Whatever the reasons, we have all benefited, in that the rich imagery that is associated with the publication of FitzGerald’s Rubaiyat has been enhanced by these artists’ multiple portfolios.

W.H. Martin and S. Mason
e-mail: SandraBill@leisureconsult.freeserve.co.uk

Notes
1. This research is being prepared for publication as a book, with a publication date of late 2006.
2. Gilbert James is an artist about whom very little is known, other than through his published work. We should be glad to hear from anyone who has some biographical data on this illustrator.

The authors are grateful to Jos Coumans and Garry Garrard for their help in clarifying the rather complicated story that surrounds the multiple portfolios.

Naar boven
JOHAN VAN SCHAGEN

Op 31 oktober 2005 is Johan van Schagen overleden. Hij werd 84 jaar. Johan was een groot kenner van Omar Khayyám en diens Rubáiyát. Hij leerde Omar kennen toen hij een Rubáiyát-uitgaafje kocht in de Tweede Wereldoorlog. Omar zou hem niet meer loslaten. Van Johan verschenen vertalingen van de diverse Rubáiyát-bewerkingen van FitzGerald in 1947, in 1954 en in 1995. Bij de eerste en laatste uitgave maakte zijn vriend, de kunstenaar Theo Forrer, tekeningen bij elk kwatrijn. Deze werden niet gepubliceerd. Dat was wel het geval met de acht litho's die Theo maakte voor de bibliofiele uitgave van 1954. Johan was een groot kenner van de Omar literatuur, ook de wetenschappelijke. Zijn inleidingen bij zijn eigen vertalingen, maar die bij andere vertalers als Wout Blok en Theo van Raalte, getuigen hiervan. Daarnaast werkte hij mee aan bloemlezingen en radio uitzendingen, en publiceerde hij artikelen in tijdschriften en in de Jaarboeken van het Nederlands Omar Khayyám Genootschap. Hij was een van de oprichters en, zolang zijn gezondheid hem dat toeliet, een drijvende kracht. Johan waardeerde in Omar vooral het rebelse. Dat spreekt overduidelijk uit zijn volgende vertaling van een overbekend kwatrijn van Omar:

Maar in de kroeg hoord' ik er eentje brullen:
héé! Maatjes, pimpelaars en oude lullen
sta op! En geef ons eens een maatje wijn,
voor hij de maat van onze tijd gaat vullen.

De maat van Johans tijd is gevuld, wij hebben een maat verloren.

Jos Biegstraaten
Voorzitter Omar Khayyám Genootschap

Naar boven
NIEUWE UITGAVEN

DIGIREADS.COM Classics
Een voorbeeld van de vele onbeduidende uitgaafjes die om de haverklap het licht zien is deze van Digireads.com. Op de website van Digireads.com is te lezen dat het een "digital bookstore" is waar niet alleen de klassiekers uit alle genres van de wereldliteratuur voor een redelijke prijs te bemachtigen zijn, maar ook sociaal-politieke en economische geschriften zoals John Stuart Mills "On liberty". Weliswaar in digitale vorm waarbij je de keuze hebt uit een aantal bestandsformats zoals pdf. Je weet bij dit soort ondernemingen nooit wat ze nou precies zijn: uitgever, boekhandel, elektronisch doorgeefluik of wat dan ook. Wat de toegevoegde waarde is, om maar eens een moderne term te gebruiken, van dit soort uitgaafjes is een raadsel. Laat staan waarom het dan ook nog in gedrukte vorm verschijnt. Alleen de alles verslindende verzamelaar zal dit weten te waarderen. Voor de prijs hoeft-ie het niet te laten alhoewel ...: ca. $ 5.99. ISBN: 1-4209-2577-6.

BARDIC PRESS
Interessanter is de heruitgave van de vertalingen van McCarthy en Le Gallienne, samen met de eerste en vijfde versie van FitzGerald (inclusief negen kwatrijnen uit de tweede versie), die de Bardic Press dit jaar presenteerde. In een korte inleiding wordt deze heruitgave verantwoord met de stelling dat je, als je de Rubáiyát in FitzGeralds vertaling wilt lezen, van meer dan één versie kennis moet nemen. Evenzeer kun je Omar Khayyám niet lezen zonder andere dan FitzGeralds vertalingen te raadplegen. De keuze viel daarbij op McCarthy omdat zijn prozaversie, met 466 kwatrijnen, de meest uitgebreide Engelstalige collectie kwatrijnen zou zijn. Hetgeen feitelijk onjuist is aangezien de edities van bijvoorbeeld John Payne (1898) en E.F. Thompson (1906) respectievelijk 845 en 878 kwatrijnen bevatten. Samen met Le Galliennes versie biedt deze vertaling een gevarieerde kijk op de Rubáiyát. Dat is een lofwaardig streven temeer omdat de vertalingen van McCarthy en Le Gallienne voor het eerst sinds lange tijd weer voor een breder publiek toegankelijk zijn. De illustraties in dit werk zijn van Herbert Cole, voor het eerst opgenomen in de uitgave van John Lane, 1901, maar de kwaliteit van de afdrukken is erbarmelijk. Lees meer. ISBN: 0 9745667-1-3. Prijs $ 16.95.

DODO PRESS
En alsof het nog niet genoeg was kwam ook de Dodopress, een onderafdeling van de Book Depository Ltd. met een uitgave. De Dodopress specialiseert zich naar eigen zeggen in het publiceren en distribueren van 'rare and out-of-print books'.
Net als bij de eerder genoemde uitgaven hebben we hier te maken met zowel de eerste als de vijfde versie van FitzGeralds vertaling. Prijs Ł 6.00. ISBN: 1-905432-45-3.

COSIMO Inc.
Nog meer van hetzelfde: The Rubaiyat of Omar Khayyam. Translated by Edward FitzGerald. Cosimo In., 2005. ISBN 1596054387 Prijs ca. $ 9.50

 

 

DEENS
Omar Khajjâm. 101 Rubâî. Digte oversat fra persisk af Arash Sharifzadeh Abdi. - Křbnhaven, Wazheh, 2005 ISBN 87-989699-2-7. 141 p. Met illustraties van Mohammad Tajvidi. Tekst in het Deens en Perzisch

 

A THING OF BEAUTY
Menno Wichman en Rob Schouten verzamelden de bekendste gedichten uit de wereldliteratuur in "A thing of beauty." De selectie begint bij Psalm 23 van koning David en eindigt met "Grote eligie voor John Donne" van Joseph Brodsky. Naast de Nederlandse vertaling is steeds de oorspronkelijke tekst opgenomen. Ook Omar Khayyám is vertegenwoordigd, met drie kwatrijnen in de vertaling van J.H. Leopold. "A thing of beauty". Verzameld en ingeleid door Menno Wichman en Rob Schouten. Amsterdam, Bert Bakker, 2005. 387 p. ISBN: 90 351 2603 3

Naar boven
LITERATUUR

ROBERT IRWIN
In het december nummer van The Times Literary Supplement gaat Robert Irwin uitgebreid in op de metamorfosen die Omar in de loop der jaren heeft ondergaan. Irwin reageert daarmee op het beeld dat Aminrazavi in zijn recente studie van Khayyám schetst ("The wine of wisdom," 2005). Het enige dat volgens Irwin met zekerheid aan Khayyám kan worden toegeschreven is zijn mathematisch werk en dat is voldoende om zijn eeuwigdurende roem in stand te houden. (TLS, December 23 & 30, Nr. 5360, p. 10-11) In de aflevering van TLS van 4 januari 2006 neemt Hazhir Teimourian stelling tegen Irwins visie dat Khayyám noch verzen zou hebben geschreven noch meegewerkt zou hebben aan de herziening van de kalender van 1079 in opdracht van Malik Shah. Er is onomstotelijk bewijs in de vorm van eigentijdse documenten waarin naar Khayyáms gedichten wordt verwezen, aldus Teimourian, die verder aankondigt dat hij een omvangrijke publicatie voorbereidt over de resultaten van zijn onderzoek naar Khayyáms leven. Merkwaardig detail dat hij vermeldt, is dat bij opgravingen in 1961, waarbij Khayyáms stoffelijke resten werden overgebracht naar een nieuw mausoleum, zijn schedelomvang werd vastgesteld op 63 cm.
Het artikel van Irwin is ook online beschikbaar op de site van de TLS: http://tls.timesonline.co.uk/article/0,,25336-1947980,00.html (hier getiteld: "Omar Khayyams' Bible for drunkards".
De reactie van Teimourian staat eveneens op deze site: http://www.tls.timesonline.co.uk/article/0,,25390-1970163,00.html, getiteld: "Omar Khayyam and his world."

ERIC GRAY
Erik Gray publiceerde in 2005 de studie "The poetry of indifference: from the Romantics to the Rubáiyát". Het idee dat Gray uitwerkt is dat in de poëzie emoties, bewustzijn en ambitie centrale en elementaire bestanddelen zijn. Daar staat tegenover dat onverschilligheid, het kunnen vergeten, onmisbare elementen zijn in het menselijk bestaan. Als we niet meer kunnen vergeten wordt het bestaan ondraaglijk. Dit inzicht ziet Gray gerealiseerd worden in de romantische poëzie van Keats, Byron, Tennyson, Browning en FitzGerald. In een tweetal hoofdstukken neemt Gray de Rubáiyát van FitzGerald onder de loep om aan te tonen hoe dit gestalte krijgt in de verschillende niveaus: het rijmschema, de structuur van het werk en de vergankelijkheid en veranderlijkheid als centraal thema. University of Massachussetts Press, 2005. ISBN: 1-55849-490-1. Prijs: $ 34.95 Meer informatie: http://www.umass.edu/umpress/spr_05/gray.html

LOUIS PAULO PARREIRAS-HORTA
"Mirrors of ink and wonderful lamps: The 'Arabian Nights' in Victorian and postmodern literature" is een studie van Luis Paulo Parreiras-Horto naar de vertaalpraktijken en opvattingen over het vertalen van "Duizend-en-één-Nacht"-vertalers zoals Lane, Payne en Burton. Niet alleen deze verhalen maar ook FitzGeralds Rubáiyát-vertaling worden betrokken in een onderzoek naar de relatie tussen authenticiteit en interpretatie, zowel in het licht van de toenmalige literaire stromingen en theorieën (Pre-Raphaelieten en Decadenten) als in het kader van Saids oriëntalisme en de invloed op hedendaagse auteurs als Barth en Rushdie. (University of Toronto, Toronto, 2004). Een 24 pagina's tellende preview van deze studie is te vinden via onderstaande link: http://wwwlib.umi.com/dissertations/preview_all/NQ94324

BARBARA BLACK
In de bundel "On exhibit. Victorians and their museums" behandelt Barbara Black het fenomeen FitzGerald en zijn Rubáiyát vanuit een historisch-cultureel gezichtspunt: de victoriaanse ambitie om grote, exotische collecties aan te leggen in imposante musea om het vreemde, het curieuze te domesticeren en gewoon en alledaags te maken. Ook FitzGerald was een verwoed verzamelaar van allerlei exotische voorwerpen met een sterke hang naar het oriëntaalse. De paradox daarbij is wel dat hij zelf amper de deur uit kwam: het vreemde en verre moest veilig en vertrouwd aan de andere kant van de huiskamer liggen. Daarom schuwde hij het ook niet om dit vreemde en exotische te ontdoen van zijn gevaarlijke en scherpe kantjes en het aan te passen aan zijn eigen persoonlijke smaak. Bekend is dat hij naar believen in schilderijen sneed om onwelgevallige delen van bijvoorbeeld een landschap te verwijderen. Deze handelwijze was volgens Black een vorm van cultureel imperialisme: niet alleen eigende FitzGerald zich Khayyám toe door hem te transformeren, vervolgens ontdekte ook het grote publiek deze aangepaste Khayyám en eigende het zich deze toe door hem op grote schaal te gaan verzamelen. "There can scarcely be a household in all Britain which has not at some time possessed a copy in some shape or form," merkte Arberry ooit op. Black laat in het boeiende tweede hoofdstuk zien hoe FitzGeralds Khayyám als cultureel fenomeen en als literaire tekst past binnen de victoriaanse verzamelcultuur. "Fugitive articulation of an all-obliterated tongue: Edward FitzGeralds' Rubáiyát of Omar Khayyám and the politics of collecting." In: On exhibit. Victorians and their museums. Barbara J. Black. Charlottesvile, University Press of Virginia, 2000. p. 48-66. ISBN 0-8139-1897-9. Prijs: $ 39.95 Meer informatie: http://www.upress.virginia.edu/books/black.html

Naar boven

 

Nederlands Omar Khayyám Genootschap
Secretariaat: p/a. E. Foeckstraat 13
3515 ED Utrecht
info@omarkhayyamnederland.com

JAARBOEK IV
Binnenkort verschijnt het vierde Jaarboek van het
Nederlands Omar Khayyám Genootschap. Klik hier over een overzicht van de bijdragen in deze aflevering.

Het Jaarboek zal te koop zijn bij Boekhandel Minotaurus in Amsterdam.

De PERZISCHE MUZE
In mei 2005 vond in Leiden het symposium "De Perzische muze in de polder" plaats. Thema was de invloed van de Perzische poëzie op de Nederlandse literatuur. Inleidingen werden gehouden door Hans de Bruijn, Gabriëlle van den Berg, Marco Goud, Jos Biegstraaten, J. van Halsema en Wiel Kusters. De lezingen zijn gebundeld in een boek onder de gelijknamige titel dat op 17 maart 2006 zal worden gepresenteerd in Leiden. Ter gelegenheid daarvan wordt een gastlezing verzorgd door Kader Abdollah. Het programma is als volgt: 15:15 uur: inleiding door Marco Goud en Asghar Seyed-Gohrab 15:30 uur: gastlezing door Kader Abdollah 16:00 uur: aanbieding van het eerste exemplaar van "De Perzische muze in de polder".
Plaats van handeling is Universiteit Leiden, Witte Singel 25 (gebouw 1173, zaal 008A).
Het boek zal op 17 maart met korting te koop zijn. Het is te bestellen bij Rozenberg Publishers, Amsterdam. Telefoon: 020-6255429
e-mail: info@rozenbergps.com
, website: www.rozenbergps.com

CONFERENTIE
Op 15 en 16 maart 2006 houdt de Universiteit van Qatar een tweedaagse conferentie ter ere van de Perzische dichter, wiskundige en astronoom Omar Khayyám. Gesproken wordt onder meer over Khayyáms leven, zijn huidige positie in Iran en in de Arabische wereld en over zijn bijdrage aan de hervorming van de Jalali kalender.