| IN DIT
NUMMER |
|
Omar voor
dierenliefhebbers De meeste
nieuwe uitgaven van de Rubáiyát zijn saaie en onbeduidende boekjes
die niets toevoegen aan het vele dat er al is. Veel leuker is wat er
langs de zijlijn gebeurt, zoals het parodiëren van Omar en zijn
Rubáiyát. Jos Biegstraaten stelde naar aanleiding van een tweetal
recente uitgaven een klein overzicht samen van parodieën waarin
huisdieren de hoofdrol opeisen. Illustrating the
Rubaiyat Bill Martin en Sandra
Mason doen onderzoek naar de vele illustratoren van de Rubáiyát. Ze
nemen drie bekende namen onder de loep, die meer dan één reeks
illustraties maakten: Frank Brangwyn, Gilbert James en Willy
Pogány. Johan van
Schagen Op 31 oktober verleden
jaar overleed Johan van Schagen, vertaler en kenner van Omar. Enkele
woorden aan zijn nagedachtenis door Jos
Biegstraaten. Nieuwe
uitgaven Verder in dit nummer signaleren we
toch maar weer een aantal nieuwe uitgaven van de
Rubáiyát. Literatuur De discussie
over de authenticiteit van Omars geschriften krijgt weer een nieuwe
impuls door een kritische bespreking van "The Wine of wisdom" door
Robert Irwin in het Times Literary Supplement van december 2005.
Verder signaleren we nog enkele interessante studies
|
|
|
|
|
| OMAR VOOR DIERENLIEFHEBBERS
|
Onlangs verscheen in de
Verenigde Staten de Rubáiyát of Rover
Khayyám [1] Het
is een parodie, bestaande uit 75 kwatrijnen, gebaseerd op de bekende
Rubáiyát of Omar Khayyám van Edward FitzGerald. De tekst op de achterpagina
meldt dat het is geschreven door Edward FizHound, pseudoniem voor de
kinderboekenschrijver Malcolm Hall. In de inleiding wordt beschreven
hoe de Dalmatiër Rover in juli 1992 de tuin van de schrijver
binnenliep en blafte om een tape recorder. Hij bleek die nodig te
hebben om zijn literaire testament te dicteren: de voorliggende
parodie. Het is een aardig boekje, mede dank zij de illustraties van
Glen Weisberg. Een paar jaar geleden, in 1999, konden
kattenliefhebbers zich ook al verheugen op een ‘testament to feline
intelligence, wisdom and cunning’. Ook hier werd de tekst
gedicteerd, nu door een kat, aan Carl Japikse, die de 104 kwatrijnen van zijn poes
uitgaf in een boekje getiteld The Ruby Cat of Waldo Japussy
[2]. De schrijver verhaalt hoe zijn kat in
kattenpotenschrift een aantal kwatrijnen had neergepend, maar
overleed voor hij zijn werk afhad. Na zijn dood verscheen Waldo aan
zijn meester om de resterende verzen te dicteren. Bij Waldo’s
bespiegelingen over de zin van het kattenleven maakte Nancy Maxwell
illustraties. Parodieën op de rubáiyát met katten en honden in de
hoofdrol vinden we al aan het begin van de 20e eeuw. De eerste en de
meest bekende is The Rubáiyát of a Persian Kitten , geschreven en geďllustreerd door Oliver
Herford [3]. Het verscheen in 1904, en niet in 1908
zoals Potter in zijn bekende bibliografie uit 1929 ten onrechte
meldt [4]. Het was een buitengewoon populaire parodie, die
vele malen herdrukt is. Aan de door Potter gemelde herdruk waren er
al enkele voorafgegaan en andere zouden volgen in de jaren daarna.
Het bleef een geliefd boekje: nog in 1993 verscheen een herdruk en
het werd in 1994 door Barbara Raheb gebruikt om er een miniatuur
uitgaafje van te maken. Aan de aandacht van Potter ontsnapten twee
andere parodieën op huisdieren. Allereerst The Rubáiyát of a
Scotch Terrier , een
parodie uit 1926 van de hand van Sewell Collins, die er ook
tekeningen bijmaakte ter herinnering aan zijn geliefde "Socks" [5]. Hoewel de lotgevallen
van het hondje niet zo’n groot publiek
bereikten als die van het Perzische poesje, was het boekje
toch goed voor herdrukken in 1927 en 1942. Een volstrekt vergeten,
maar buitengewoon aardig boekje is The memoirs of
Micky , waarin een
fox-terrier zijn levensverhaal vertelt. Micky verhaalt hoe hij zijn
baasje wel eens hardop vierregelige versjes hoorde lezen, waarvan
hij aanneemt dat ze geschreven zijn door een Ierse voorvader,
O’Mick-I-Am genaamd [6].
De versjes inspireren Micky tot kwatrijnen die af en toe in de tekst
opduiken en samen The Rubáiyát of O’Mick-I-Am
vormen. Het boekje moet geschreven zijn rond 1927. Ook in 1938 komen
we een hond tegen die verzen dicteert. In de inleiding op
The Rubaiyat of Omar Ki-Yi lezen we dat een hond in de universiteitsbibliotheek
zo werd aangetrokken tot een ‘dog-eared copy of the Rubaiyat on a
bottom shelf’, dat hij er een flink stuk van had verorberd [7]. De
auteur, Burges Johnson, betrapte hem. In ruil voor de belofte hem
niet aan de bibliothecaris te verraden, dicteert het hondje, een
Schotse terrier, hem en Mr. Dennis zijn ‘metrical experiments’. En
zo kunnen wij kennis nemen van 40 kwatrijnen met geestige tekeningen
van Morgan Dennis. Tot zover deze korte beschrijving van parodieën
op de rubáiyát met huisdieren in de hoofdrol. Waarschijnlijk is ook
The Rubáiyát of Omar Dog-yám [8] een parodie
met een hond als onderwerp. Potter vermeldt deze titel in zijn
bibliografie onder nummer 1164. Andere dan deze zijn mij niet
bekend, maar het is best mogelijk dat er vandaag of morgen nog
andere uitgaafjes opduiken. Parodieën op de rubáiyát verschenen voor
het eerst aan het eind van de 19e eeuw. Aan het begin de van 20e
eeuw verschenen er tientallen, vaakgeďllustreerd. Potter beschrijft
er 75 in een apart hoofdstuk van zijn bibliografie. De meest
uiteenlopende onderwerpen vonden een plaatsje in deze parodieën. In
het Jaarboek IV van het Omar Khayyám Genootschap dat binnenkort
verschijnt, wijd ik er een bijdrage aan. Nog uitgebreider bespreek
ik dit onderwerp in een artikel, getiteld "Omar with a smile", in
het tijdschrift Persica, dat in het eerste kwartaal van 2006
verschijnt.
Hoorn, januari 2006 Jos Biegstraaten Noten 1. Rubáiyát of Rover Khayyám. Rendered into English verse
and annotated by Edward FitzHound. Illustrations by Glen Weisberg.
New York, Lincoln, Shanghai, iUniverse Inc., 2005. 2. The Ruby Cat of Waldo Japussy. As dictated to Carl
Japikse. Illustrations by Nancy Maxwell. Atlanta Georgia, Enthea
Press, 1999. 3. The Rubáiyát of a Persian
kitten. By Oliver Herford. New York, Charles Scribner's Sons, 1904.
4. A bibliography of the Rubáiyát of Omar
Khayyám. Together in kindred matter in prose and verse pertaining
thereto . Collected and arranged by Ambrose George Potter. London,
Ingpen and Grant, 1929. 5. The Rubáiyát of a
Scotch Terrier. By Sewell Collins with drawings by the author.
London, Grant Richards Ltd., 1925. 6. The memoirs
of Micky. A Fox Terrier with which is interspersed The Rubáiyát
of O'Mick-I-Am. Edited by Basil Trevor. London, C.W. Daniel, [ca.
1927]. 7. The Rubaiyat of Omar Ki-Yi and
other waggigh rhymes. By Burges Johnson. Illustrated by Morgan
Dennis. New York, G.P. Putnam's Sons, 1938. 8. The Rubáiyát of Omar Dog-yám. By A. Safroni-Middleton.
London, Thomas Murby & Co., 1914. |
|
|
|
| ILLUSTRATING THE RUBAIYAT
|
ARTISTS WITH MORE THAN ONE
PORTFOLIO In our researches into the publication and
illustration of Edward FitzGerald’’s versions of the Rubaiyat of
Omar Khayyam, we have identified over 130 different artists who have
worked to ‘illuminate’ the poem [1]. Most
have produced only one set of illustrations, which may comprise only
one or two pictures, or as many as 75, one for each of the quatrains
of the first edition. But there are three particular artists who
have made more than one attempt to illustrate the Rubaiyat, creating
distinctively different portfolios. They are three of the big names
in Rubaiyat illustration, viz Frank Brangwyn, Gilbert James, and
Willy Pogany.
FRANK BRANGWYN The situation for
Frank Brangwyn is relatively simple. This well known Welsh artist
produced his first set of five paintings to illustrate a version of
FitzGerald’s Rubaiyat which was published by Gibbings in 1906. These
paintings were reprinted several times in the following years, but
in 1910 an edition of the Rubaiyat with eight Brangwyn illustrations
was produced by T.N. Foulis. This version included six new
paintings, plus two which at first sight look very similar to those
in the original Brangwyn edition. But a detailed examination
suggests that the artist reworked some of the imagery, changing
poses and colours slightly. So the 1910 Brangwyn version can be
considered as a second portfolio. This second portfolio was further
extended in 1919, when Foulis published another edition containing
an additional seven illustrations together with the earlier eight
paintings.
GILBERT JAMES For Gilbert James,
the story is much more complicated. James’ first illustrations
for various quatrains of the Rubaiyat were published individually, in
black and white, in various editions of British magazines, mainly
The Sketch, between 1896 and 1898. 14 of these illustrations
were subsequently collected together in a portfolio and published
with the accompanying verses in 1898 by Leonard Smithers. They
were then used, still in black and white, in various full
text editions produced from 1899 onwards. A coloured version of these
pictures was produced in 1908 by R.F. Fenno, possibly with the help of
Charles Copeland whose name is found on pictures in a later version of
these pictures. Meanwhile, it seems that Gilbert James prepared a
second set of four illustrations which were published by T.N. Foulis in
1907. Finally in 1909, a third portfolio of 16 James illustrations
was presented in an edition of the Rubaiyat from A. & C. Black.
Some of the illustrations bear a great deal of similarity to those
in the first version, although they are clearly different pictures.
Publishers have also complicated matters by sometimes allocating
comparable illustrations to different quatrains in their respective
versions [2].
WILLY POGANY
The history of Willy Pogany’s three portfolios of
illustrations for the Rubaiyat is very different. Pogany produced
his first and best known portfolio of 24 illustrations for an
edition published by George G. Harrap in 1909. This set of rather
impressionistic illustrations has been reprinted very many times,
right up to the present - the latest version that we know of was in
1999. But in 1930, Thomas Y. Crowell in the USA and Harrap in the UK
produced another edition of the Rubaiyat with a totally new set of
13 Pogany illustrations. For these, the artist had clearly rethought
his interpretation and, while there are similarities in style, the
subject matter and the choice of verses to illustrate are frequently
different. Some of the small decorative figures in the 1930 edition
foreshadow the major changes that Pogany made for his third
portfolio. This could almost be the work of a completely new
illustrator. In place of the water-colour painting and generally
rather oriental subject matter, with figures rather ill-defined, the
third portfolio is of black and white drawings, with strongly
presented figures, sometime nudes, and generally very Western in
style. Our examples show the three versions for quatrain 42, the one
verse chosen for illustration by Pogany in all three of his
portfolios.
|

Pogany first portfolio Illustration for quatrain
42

Pogany second portfolio Illustration for quatrain
42

Pogany third portfolio Illustration for quatrain
42
|
|
|
|
| We can
find no information about why these three artists chose to produce
multiple portfolios of illustrations for FitzGerald’s Rubaiyat. We
can speculate that perhaps, in the case of James, copyright issues
may have played a part. If the artist had not held on to the
copyright to his original pictures, he may well have needed to
rework them for subsequent new editions. On the other hand, Brangwyn
may simply have wished to revisit his original ideas for the new
edition. As an established artist, he would quite likely have
retained the copyright on his illustrations. For Pogany, it may be
quite simply that the artist had a new creative urge for each
portfolio, reflecting his personal development over the 30 years
that separate the first and third portfolios. Whatever the reasons,
we have all benefited, in that the rich imagery that is associated
with the publication of FitzGerald’s Rubaiyat has been enhanced by
these artists’ multiple portfolios.
W.H. Martin and S. Mason e-mail: SandraBill@leisureconsult.freeserve.co.uk
Notes 1. This research
is being prepared for publication as a book, with a publication
date of late 2006. 2. Gilbert James is an
artist about whom very little is known, other than through his
published work. We should be glad to hear from anyone who has some
biographical data on this illustrator.
The authors are grateful to Jos Coumans and
Garry Garrard for their help in clarifying the rather complicated
story that surrounds the multiple portfolios. |
|
|
|
| JOHAN VAN SCHAGEN |
Op 31 oktober 2005 is Johan van Schagen overleden. Hij werd 84
jaar. Johan was een groot kenner van Omar Khayyám en diens Rubáiyát.
Hij leerde Omar kennen toen hij een Rubáiyát-uitgaafje kocht in de
Tweede Wereldoorlog. Omar zou hem niet meer loslaten. Van Johan
verschenen vertalingen van de diverse Rubáiyát-bewerkingen van
FitzGerald in 1947, in 1954 en in 1995. Bij de eerste en laatste
uitgave maakte zijn vriend, de kunstenaar Theo Forrer, tekeningen
bij elk kwatrijn. Deze werden niet gepubliceerd. Dat was wel het
geval met de acht litho's die Theo maakte voor de bibliofiele
uitgave van 1954. Johan was een groot kenner van de Omar literatuur,
ook de wetenschappelijke. Zijn inleidingen bij zijn eigen
vertalingen, maar die bij andere vertalers als Wout Blok en Theo van
Raalte, getuigen hiervan. Daarnaast werkte hij mee aan bloemlezingen
en radio uitzendingen, en publiceerde hij artikelen in tijdschriften
en in de Jaarboeken van het Nederlands Omar Khayyám Genootschap. Hij
was een van de oprichters en, zolang zijn gezondheid hem dat
toeliet, een drijvende kracht. Johan waardeerde in Omar vooral het
rebelse. Dat spreekt overduidelijk uit zijn volgende vertaling van
een overbekend kwatrijn van Omar:
Maar in de kroeg hoord'
ik er eentje brullen: héé! Maatjes, pimpelaars en oude lullen
sta op! En geef ons eens een maatje wijn, voor hij de maat
van onze tijd gaat vullen.
De maat van Johans tijd is gevuld, wij hebben een maat
verloren.
Jos Biegstraaten Voorzitter Omar Khayyám Genootschap
|
|
|
|
| NIEUWE UITGAVEN |
DIGIREADS.COM Classics Een voorbeeld van de
vele onbeduidende uitgaafjes die om de haverklap het licht zien is
deze van Digireads.com. Op de website van Digireads.com is te lezen
dat het een "digital bookstore" is waar niet alleen de klassiekers
uit alle genres van de wereldliteratuur voor een redelijke prijs te
bemachtigen zijn, maar ook sociaal-politieke en economische
geschriften zoals John Stuart Mills "On liberty". Weliswaar in
digitale vorm waarbij je de keuze hebt uit een aantal
bestandsformats zoals pdf. Je weet bij dit soort ondernemingen nooit
wat ze nou precies zijn: uitgever, boekhandel, elektronisch
doorgeefluik of wat dan ook. Wat de toegevoegde waarde is, om maar
eens een moderne term te gebruiken, van dit soort uitgaafjes is een
raadsel. Laat staan waarom het dan ook nog in gedrukte vorm
verschijnt. Alleen de alles verslindende verzamelaar zal dit weten
te waarderen. Voor de prijs hoeft-ie het niet te
laten alhoewel ...: ca. $ 5.99. ISBN: 1-4209-2577-6.
BARDIC PRESS Interessanter is de
heruitgave van de vertalingen van McCarthy en Le Gallienne, samen
met de eerste en vijfde versie van FitzGerald (inclusief negen
kwatrijnen uit de tweede versie), die de Bardic Press dit jaar
presenteerde. In een korte inleiding wordt deze heruitgave
verantwoord met de stelling dat je, als je de Rubáiyát in
FitzGeralds vertaling wilt lezen, van meer dan één versie kennis
moet nemen. Evenzeer kun je Omar Khayyám niet lezen zonder andere
dan FitzGeralds vertalingen te raadplegen. De keuze viel daarbij op
McCarthy omdat zijn prozaversie, met 466 kwatrijnen, de meest
uitgebreide Engelstalige collectie kwatrijnen zou zijn. Hetgeen
feitelijk onjuist is aangezien de edities van bijvoorbeeld John
Payne (1898) en E.F. Thompson (1906) respectievelijk 845 en 878
kwatrijnen bevatten. Samen met Le Galliennes versie biedt deze
vertaling een gevarieerde kijk op de Rubáiyát. Dat is een lofwaardig
streven temeer omdat de vertalingen van McCarthy en Le Gallienne
voor het eerst sinds lange tijd weer voor een breder publiek
toegankelijk zijn. De illustraties in dit werk zijn van Herbert
Cole, voor het eerst opgenomen in de uitgave van John Lane, 1901,
maar de kwaliteit van de afdrukken is erbarmelijk. Lees meer. ISBN:
0 9745667-1-3. Prijs $ 16.95.

DODO PRESS
En alsof het nog niet genoeg was kwam ook
de Dodopress, een onderafdeling van de Book Depository Ltd. met een
uitgave. De Dodopress specialiseert zich naar eigen zeggen in het
publiceren en distribueren van 'rare and out-of-print books'.
Net als bij de eerder genoemde uitgaven
hebben we hier te maken met zowel de eerste als de vijfde versie van
FitzGeralds vertaling. Prijs Ł 6.00. ISBN: 1-905432-45-3.

COSIMO Inc. Nog meer van hetzelfde: The Rubaiyat of
Omar Khayyam. Translated by Edward FitzGerald. Cosimo In., 2005.
ISBN 1596054387 Prijs ca. $ 9.50

DEENS
Omar
Khajjâm. 101 Rubâî. Digte oversat fra persisk af Arash Sharifzadeh
Abdi. - Křbnhaven, Wazheh, 2005 ISBN 87-989699-2-7. 141 p. Met
illustraties van Mohammad Tajvidi. Tekst in het Deens en
Perzisch
A THING OF BEAUTY Menno Wichman en
Rob Schouten verzamelden de bekendste gedichten uit de
wereldliteratuur in "A thing of beauty." De selectie begint bij
Psalm 23 van koning David en eindigt met "Grote eligie voor John
Donne" van Joseph Brodsky. Naast de Nederlandse vertaling is steeds
de oorspronkelijke tekst opgenomen. Ook Omar Khayyám is
vertegenwoordigd, met drie kwatrijnen in de vertaling van J.H.
Leopold. "A thing of beauty". Verzameld en ingeleid door Menno
Wichman en Rob Schouten. Amsterdam, Bert Bakker, 2005. 387 p. ISBN:
90 351 2603 3
|
|
|
|
| LITERATUUR |
|
ROBERT IRWIN In het december nummer van
The Times Literary Supplement gaat Robert Irwin
uitgebreid in op de metamorfosen die Omar in de loop der jaren heeft
ondergaan. Irwin reageert daarmee op het beeld dat Aminrazavi in
zijn recente studie van Khayyám schetst ("The wine of wisdom,"
2005). Het enige dat volgens Irwin met zekerheid aan Khayyám kan
worden toegeschreven is zijn mathematisch werk en dat is voldoende
om zijn eeuwigdurende roem in stand te houden. (TLS, December 23
& 30, Nr. 5360, p. 10-11) In de aflevering van TLS van 4 januari
2006 neemt Hazhir Teimourian stelling tegen Irwins visie dat Khayyám
noch verzen zou hebben geschreven noch meegewerkt zou hebben aan de
herziening van de kalender van 1079 in opdracht van Malik Shah. Er
is onomstotelijk bewijs in de vorm van eigentijdse documenten waarin
naar Khayyáms gedichten wordt verwezen, aldus Teimourian, die verder
aankondigt dat hij een omvangrijke publicatie voorbereidt over de
resultaten van zijn onderzoek naar Khayyáms leven. Merkwaardig
detail dat hij vermeldt, is dat bij opgravingen in 1961, waarbij
Khayyáms stoffelijke resten werden overgebracht naar een nieuw
mausoleum, zijn schedelomvang werd vastgesteld op 63 cm. Het
artikel van Irwin is ook online beschikbaar op de site van de TLS:
http://tls.timesonline.co.uk/article/0,,25336-1947980,00.html (hier
getiteld: "Omar Khayyams' Bible for drunkards". De reactie van
Teimourian staat eveneens op deze site: http://www.tls.timesonline.co.uk/article/0,,25390-1970163,00.html,
getiteld: "Omar Khayyam and his world."
ERIC GRAY Erik Gray
publiceerde in 2005 de studie "The poetry of indifference: from the
Romantics to the Rubáiyát". Het idee dat Gray uitwerkt is dat in de
poëzie emoties, bewustzijn en ambitie centrale en elementaire
bestanddelen zijn. Daar staat tegenover dat onverschilligheid, het
kunnen vergeten, onmisbare elementen zijn in het menselijk bestaan.
Als we niet meer kunnen vergeten wordt het bestaan ondraaglijk. Dit
inzicht ziet Gray gerealiseerd worden in de romantische poëzie van
Keats, Byron, Tennyson, Browning en FitzGerald. In een tweetal
hoofdstukken neemt Gray de Rubáiyát van FitzGerald onder de loep om
aan te tonen hoe dit gestalte krijgt in de verschillende niveaus:
het rijmschema, de structuur van het werk en de vergankelijkheid en
veranderlijkheid als centraal thema. University of Massachussetts
Press, 2005. ISBN: 1-55849-490-1. Prijs: $ 34.95 Meer informatie: http://www.umass.edu/umpress/spr_05/gray.html
LOUIS PAULO PARREIRAS-HORTA "Mirrors of ink
and wonderful lamps: The 'Arabian Nights' in Victorian and
postmodern literature" is een studie van Luis Paulo Parreiras-Horto
naar de vertaalpraktijken en opvattingen over het vertalen van
"Duizend-en-één-Nacht"-vertalers zoals Lane, Payne en Burton. Niet
alleen deze verhalen maar ook FitzGeralds Rubáiyát-vertaling worden
betrokken in een onderzoek naar de relatie tussen authenticiteit en
interpretatie, zowel in het licht van de toenmalige literaire
stromingen en theorieën (Pre-Raphaelieten en Decadenten) als in het
kader van Saids oriëntalisme en de invloed op hedendaagse auteurs
als Barth en Rushdie. (University of Toronto, Toronto, 2004). Een 24
pagina's tellende preview van deze studie is te vinden via
onderstaande link: http://wwwlib.umi.com/dissertations/preview_all/NQ94324
BARBARA BLACK In de bundel "On
exhibit. Victorians and their museums" behandelt Barbara Black het
fenomeen FitzGerald en zijn Rubáiyát vanuit een historisch-cultureel
gezichtspunt: de victoriaanse ambitie om grote, exotische collecties
aan te leggen in imposante musea om het vreemde, het curieuze te
domesticeren en gewoon en alledaags te maken. Ook FitzGerald was een
verwoed verzamelaar van allerlei exotische voorwerpen met een sterke
hang naar het oriëntaalse. De paradox daarbij is wel dat hij zelf
amper de deur uit kwam: het vreemde en verre moest veilig en
vertrouwd aan de andere kant van de huiskamer liggen. Daarom schuwde
hij het ook niet om dit vreemde en exotische te ontdoen van zijn
gevaarlijke en scherpe kantjes en het aan te passen aan zijn eigen
persoonlijke smaak. Bekend is dat hij naar believen in schilderijen
sneed om onwelgevallige delen van bijvoorbeeld een landschap te
verwijderen. Deze handelwijze was volgens Black een vorm van
cultureel imperialisme: niet alleen eigende FitzGerald zich Khayyám
toe door hem te transformeren, vervolgens ontdekte ook het grote
publiek deze aangepaste Khayyám en eigende het zich deze toe door
hem op grote schaal te gaan verzamelen. "There can scarcely be a
household in all Britain which has not at some time possessed a copy
in some shape or form," merkte Arberry ooit op. Black laat in het
boeiende tweede hoofdstuk zien hoe FitzGeralds Khayyám als cultureel
fenomeen en als literaire tekst past binnen de victoriaanse
verzamelcultuur. "Fugitive articulation of an all-obliterated
tongue: Edward FitzGeralds' Rubáiyát of Omar Khayyám and the
politics of collecting." In: On exhibit. Victorians and their
museums. Barbara J. Black. Charlottesvile, University Press of
Virginia, 2000. p. 48-66. ISBN 0-8139-1897-9. Prijs: $ 39.95 Meer
informatie: http://www.upress.virginia.edu/books/black.html
|
|
|
|
|
Nederlands Omar Khayyám
Genootschap Secretariaat: p/a. E. Foeckstraat 13 3515 ED
Utrecht info@omarkhayyamnederland.com
|
|
JAARBOEK
IV Binnenkort verschijnt het
vierde Jaarboek van het Nederlands
Omar Khayyám Genootschap. Klik hier
over een overzicht van de bijdragen in deze
aflevering.
Het Jaarboek zal te koop zijn bij
Boekhandel Minotaurus in Amsterdam.
De PERZISCHE
MUZE In mei 2005 vond in
Leiden het symposium "De Perzische muze in de polder" plaats. Thema
was de invloed van de Perzische poëzie op de Nederlandse literatuur.
Inleidingen werden gehouden door Hans de Bruijn, Gabriëlle van den
Berg, Marco Goud, Jos Biegstraaten, J. van Halsema en Wiel Kusters.
De lezingen zijn gebundeld in een boek onder de gelijknamige titel
dat op 17 maart 2006 zal worden gepresenteerd in Leiden. Ter
gelegenheid daarvan wordt een gastlezing verzorgd door Kader
Abdollah. Het programma is als volgt: 15:15 uur: inleiding door
Marco Goud en Asghar Seyed-Gohrab 15:30 uur: gastlezing door Kader
Abdollah 16:00 uur: aanbieding van het eerste exemplaar van "De
Perzische muze in de polder". Plaats van handeling is
Universiteit Leiden, Witte Singel 25 (gebouw 1173, zaal 008A).
Het boek zal op 17 maart met korting te koop zijn. Het is te
bestellen bij Rozenberg Publishers, Amsterdam. Telefoon:
020-6255429 e-mail: info@rozenbergps.com, website: www.rozenbergps.com
CONFERENTIE Op 15 en 16 maart 2006 houdt de
Universiteit van Qatar een tweedaagse conferentie ter ere van de
Perzische dichter, wiskundige en astronoom Omar Khayyám. Gesproken
wordt onder meer over Khayyáms leven, zijn huidige positie in Iran
en in de Arabische wereld en over zijn bijdrage aan de hervorming
van de Jalali kalender. |
|
|
| |