Omar Khayyam's Rubaiyat
Chr. van Balen, 1910 

Ontwaakt! De morgen drijft in wilde jacht
De sterren langs den koepel van den nacht.
En ziet: de jager van het oosten trof
Des sultan's toren met zijn stralenpracht.

En voor het valsche morgenspook verdween,
Riep in de kroeg een luide stem, naar 't scheen:
"Wat knikkebolt d'aanbidder voor de deur?
De tempel is gereed: Komt er niet een?"

Bij 't hanekraaien kwam het volk geloopen,
En schreeuwde vóór de herberg: "Hé, doe open!
Ge weet hoe kort we hier slechts mogen blijven,
En, zijn we eens weg, op geen terugkeer hopen."

Nu wekt het Nieuwe jaar weer d' ouden lust,
En peinzend zoekt de ziel haar stille rust,
Waar Mozes hoog zijn witte handen strekt
En Jezus zacht het vuur der zonde bluscht.

Ja, wèl ging Irám met zijn rozen henen,
En Jamshyd's heil'ge beker is verdwenen,
Maar steeds nog geeft de druif haar purpren wijnen,
En ligt mijn tuin door 't zonlicht hel beschenen.

En David's mond zwijgt stil, maar met een rein
Hel Péhlevi! en wijn! wijn! purpren wijn!
Roept luid de nachtegaal het roosje toe,
Haar bleek gelaat te verv' in rooder schijn.

Kom! vul den beker! smijt het winterkleed
Van spijt in 't vuur, dat Lent' ontvlammen deed:
De vogel Tijd strekt nauw zijn vleug'len uit,
Of statig wiekt hij heen, eer men het weet.

Of wij in Babylon of Naishpur zijn,
En of de beker groot is dan wel klein:
Des levens blaad'ren vallen één voor één,
En drup bij drup verleekt des levens wijn.

En duizend rozen heeft de dag gegeven,
Maar waar is gistren's rozenpracht gebleven ?
Deez' eerste zomermaand, die rozen bracht,
Heeft ook Jamshyd en Kaikobád verdreven.

Komaan! wat deert het ons? wat geven wij
Er om, waar Kaikobád of Jamshyd zij?
Laat Zal en Rustum razen naar 't hun lust,
Of Hatim Tai u nooden: blijf bij mij!

Lig met mij neer, ginds, op het grastapijt,
Dat de woestijn van 't vruchtbaar zaadland scheidt,
Waar geen den naam van slaaf of sultan kent:
Beklaag den Sultan in zijn heerlijkheid!

Een boek met verzen in de koele wei,
Een kruik met wijn, een goudgeel brood, en gij
Al zingend naast me in de wildernis,
En zalig wordt mij zelfs de woestenij.

Terwijl de een steeds van 't verleden zingt,
En d'ander reeds de paradijsvreugd drinkt,
Neem gij wat is, en hoop niet op wat komt,
En let niet op de trom, die ginder klinkt.

Zie naar de roos, die in haar kleurenpracht
Daar ginder bloeit: ze geeft haar schoon, en lacht;
En scheurt de herfst haar blaadrenkrans uiteen,
Ze strooit hem stervend rond, zonder één klacht.

Der wereld hoop, die ons in 't harte schijnt,
Vervliegt, of... wordt verwezenlijkt in 't eind;
Maar dàn zelfs blinkt zij slechts een enkel uur,
Als sneeuw op het woestijnzand, en... verdwijnt.

Zoowel degeen, die 't Gulden Graan bemint,
Als hijg die 't roekloos uitstrooit in den wind,
Verkeert eenmaal in stof, dat niemand ooit,
Graaft hij het op, van een'ge waarde vindt.

Kom, denk eens aan: in deze herberg klein,
Wier een'ge deuren dag en nacht slechts zijn,
Hoe de eene sultan na den ander kwam.
En weer verdween met al zijn schoonen schijn.

Men zegt, dat thans menig verscheurend beest
Toeft op het veld, waar Jamshyd heeft gefeest;
Bahrám, de groote jager zelfs, sliep in,
En op zijn graf stampt de ezel onbevreesd.

Ik denk soms wel, dat nooit één roos zoo rood
Wel bloeit, als waar een Caesar werd gedood;
Dat elke hyacinth, hier in den tuin,
Slechts bloeit, waar een lief hoofd haar voedsel bood.

En 't heerlijke, zachtgroene, teed're kruid,
Dat, waar ge ligt, rondom de beek omsluit,
O! druk het niet te zwaar, want wie toch weet,
Aan wat ééns schoone mond 't misschien ontspruit.

Kom, Liefste, vul den beker, die den Tijd
Van toekomst-vrees en van berouw bevrijdt!
Wat, morgen! Wat? Wel, morgen ben 'k misschien
Saam met de reeds gestorven Eeuwigheid.

Ziet, die wij minden; die tot onzen lust
De Tijd als meest geliefden had gekust,
Dronken hun glas een ronde of twee voor ons,
En zochten één voor één de eeuw'ge rust.

En wij, die hier thans vroolijk zijn, en die
Nu juichen in hun vroeg're kamer: zie,
Wij zelven dalen eenmaal in het graf,
Om zelf weer plaats te maken - en voor wie ?

O! maak een goed gebruik toch van den tijd,
Voordat ge weer tot stof geworden zijt:
Van stof tot stof, begraven onder 't stof,
Zonder één vreugde, en - voor d' eeuwigheid i

Zoowel voor hem, wien 't Heden zorgen baart,
Als voor dengeen, die naar een "Morgen" staart,
Roept een Muezzin van den toren uit:
"Dwazen, uw loon wordt hier noch ginds bewaard!"

Wel, al de wijzen, al de aardsche grooten,
Die zoo geleerd eens praatten, zijn verstooten
Als liegende profeten, en, hun woorden
Ten spot, heeft stof hun ijd'len mond gesloten.

Kom met Khayyàm: vlucht wie u wijsheid biedt;
Een ding staat vast, dat 't leven henenvliedt;
Een ding staat vast, en leugens is de rest:
De bloem, die stierf, herwint haar bloesems niet.

Ook ik zocht wijsheid in mijn jeugd, en hing
Den wijze aan de lippen: menig ding
Heb ik gehoord, maar door dezelfde deur
Ben 'k steeds gekeerd, waardoor 'k naar binnen ging.

Met hem zaaide ik het zaad der wijsheid neer,
En vol verwachting hoopte ik op meer;
Maar dit was heel de oogst, dien ik mij won:
"Ik kwam als Water, en als Wind keer 'k weer!"

Ter wereld kwam ik, zonder mij te vragen
Vanwaar?", en zonder om 't "Waarom?" te klagen,
En als de wind zal 'k van de wereld scheiden,
Zonder mij met een leeg "Waarheen?" te plagen.

Wat ijlde, zonder vragen, toch hierheen?
Wat is 't, dat zonder vragen weer verdween?
Kom, nog een beker! opdat ik vergeet,
Te denken aan wat zoo verward mij scheen.

Door zeven heemlen zag 'k Mij opwaarts zweven,
En op Saturnus' troon heb 'k mij verheven,
En 'k loste op mijn weg veel raadslen op,
Maar nimmer dat van 's menschen dood en leven.

Daar was een deur, waar 'k vruchtloos toegang Zocht ;
Een sluier ook, dien ik niet lichten mocht,
En vaag klonk een verhaal van Dubbel Zijn,
En dat was al, wat 'k leerde op mijnen tocht.

Toen riep ik stout den Hemel zelven aan,
Vragend: "Wat Licht geeft 't Noodlot hun, die gaan
Als kind'ren struikelend in de duisternis?"
En 't antwoord was: "Niets dan een blind verstaan!"

Toen zegd' ik aan mijn beker mijn begeeren,
Om het geheim van 's Levens Bron te leeren,
En lip aan lip zuchtte hij: "Drink maar verder!
Want, gaat ge eens heen, nooit zult ge wederkeeren."

Ik denk zoo, dat de beker, die daareven
Al staam'Iend antwoordde, eens heeft moeten leven
En vroolijk zijn: de koude lip, die 'k kuste,
Wat kussen heeft die eens - ook zelf gegeven!

Want 'k weet, hoe 'k eens, bij 't scheiden van den dag,
Een pottenbakker klei boetseeren zag.
En zie, zij riep met half verstikten mond:
"Wat zacht toch, Broeder! als 'k u bidden mag".

Kom, vul het glas! Ik weet niet, waarvoor 't goed is.
Te denken aan hoe broos wat de Tijd doet is:
Dood "Gisteren" en ongeboren "Morgen",
Wat komm'ren we ons daarom, als 't Heden zoet is ?

Eén oogenblik, dat niet aan 't Niets behoort;
Eén oogenblik, dat 't Leven ons bekoort:
De Starren dalen, en de Karavaan
Trekt naar de schemering van 't Niets: maakt voort!

Hoe lang, hoe lang toch klagen wij, en zuchten
W'om d' onbekende toekomst - die we duchten!
Neen, beter is 't genieten van de druiven,
Dan 't angst-verlang naar geen - òf bitt're - vruchten.

Vrienden, hoe lang kan 't reeds geleden zijn,
Dat 'k vierde in mijn huis een trouw-festijn;
D' onvruchtbre Rede bande van mijn bed,
En nam tot Vrouw de Dochter van den Wijn?

Al wist ik ook van "Zijn" en van "Niet Zijn",
Al discuteerde ik ook subtiel en fijn:
Nooit heb 'k me in één studie zoo verdiept
Met hart en ziel, als in die van - den Wijn!

En onlangs, bij de Kroeg, door d' avondschijn,
Zag ik een engel komen, die op zijn
Gebogen schouderen een vaatje droeg
Mij noodend, eens te proeven, en.. . 't was Wijn!

De Wijn, die, uit zichzelf subtiel-geleerd,
Weerlegt, wat de geleerdste man beweert;
De Groote Alchimist, die, met gemak,
Des levens laag metaal in goud verkeert;

De Wijn, die als een vorst zijn scepter draagt;
Die al wat onze vroolijkheid belaagt
En alle zorgen, zeetlend in de ziel,
Met zijn betooverd zwaard ons hart uit jaagt.

Kom mee, en laat den Wijzen 't hoogste woord
Over den mensch, en wat daarbij behoort:
Lig met me neer, ginds in de zonn'ge wei,
En denk niet aan wat zich om u niet stoort.

Want hoe z'ook diskuteeren in hun waan:
Een Poppenkast is 't rnenschelijk bestaan,
Die helder door de zon beschenen wordt,
En waar we als schimmen heen en weder gaan.

Ge kust een schoonen mond, drinkt gulden wijn,
En 't eind is niets: 't is àlles brooze schijn!
Kom, denk dan, dat ge zijt wat ge u denkt;
Nu zijt ge niets: nooit kunt ge minder zijn.

En waar de roos bloeit, en het beekje vliet,
Drink daar den wijn, dien de oude Khayyam biedt,
En als de Engel met zijn zwaarder drank
Komt, en u heet te drinken, deins dan niet.

Een schaakbord is het Al van dag en nacht,
Waar 't lot ons mensch' als stukken heeft gebracht:
Het schuift ons heen en weer, en neemt, en slaat,
Tot, na het spel, ons d' eeuw'ge rust weer wacht.

De bal vraagt niet naar wat de speler deed,
Maar vliegt door 't veld, naar hem de speler smeet,
En Hij, die op dit veld u heeft gebracht,
Hij weet er alles van, Hij weet, Hij weet!

De Vinger schrijft, en schrijft maar voort, en dan
Verdwijnt hij, en geen vrees noch wijsheid kan
Hem nopen tot het wisschen van één woord:
Geen traan zelfs vlekt een enkel woord ervan.

't Gewelf, dat ons de hemel is, en wij
Aanzien, zoolang ons leven gaat voorbij:
O, smeek het niet om hulp, want het rolt voort
Gelijklijk machteloos als ik en gij.

De eerste klei wordt ' s laatsten mans gewaad,
En de eerste dag zaait 's laatsten oogstdags zaad,
ja, en der schepping eerste morgen schreef,
Wat 's avonds d' oordeelsdag eens lezen gaat.

Toen God het licht der zon in 't aanzijn riep,
En alle sterren en planeten schiep,
Toen, zeg ik U, was 't mij reeds voorbeschikt,
Hoe in dit aardsch bestaan mijn leven liep;

Toen stond er reeds geschreven, dat de Wijn
In 't leven mij tot troost en vreugd zou zijn.
Laat dan den vrome schelden: ééns misschien
Smaak ik de Hemelvreugd, hij Hellepijn.

Dit weet ik wèl: Hetzij 't mij is beschoren,
Den hemel of de hel toe te behooren:
Een uur van 't leven, in de kroeg gevonden,
Is beter, dan in 's tempels hal verloren.

Gij, die den mensch langs 's levens weg kondt drijven,
Langs strikken, waar hij toch niet uit kon blijven:
Wilt gij met voorbeschikking ons beladen,
Om onzen val aan zonde toe te schrijven?

Gij, die aan lage klei eens gaaft het leven,
En ook de slang naar Eden hebt gedreven :
O, schenk den mensch vergiffenis... en vraag die
Voor al het kwaad, dat gij hem hebt gegeven.

 



KZA NÁMA
of het Boek der Potten.

Luistert nog eens. Toen Ramazan verdween,
En 's avonds nog de beetre maan niet scheen,
Stond ik in 's pottenbakkers winkel stil,
Met al dat aarden volkje om mij heen.

En onder al dat kleigoed - is 't niet zot ? -
Was spreken 's eenen, stom-zijn 's andren lot,
En plotseling riep er ongeduldig een:
"Wie is de pottenbakker, wie de pot?"

Toen zei een ander: "'t Kan toch niet bestaan,
Dat àl dat werk maar vruchtloos werd gedaan,
En Hij, die door zijn Kunst mij 't leven gaf,
Mij weer tot lage klei ineen kan slaan?"

Een ander zei: "Geen dwaze jongen slaat
In stukken 't glas, waarbij zijn dorst vond baat;
Zal Hij, die liefdevol den Beker schiep,
Hem later weer vernietigen in haat?"

Eerst zwegen allen, doch naar bittren trant
Sprak toen een Beker, scheef aan d'eenen kant:
"Men spot met mij om mijnen scheeven bouw!
Maar beefde dan des Pottenbakkers hand?"

Een zei er: "Menigeen praat van een fel
En nijdig Tapper: kleuren uit de Hel
Liggen hem op 't gelaat. Wat dom geklets!
Hij is een Goede Kerel, en 't is alles wèl!'

Toen zei een ander - een heel droge klant:
"Mijn klei is van het droog-zijn zoo verzand.
Kom, vul me met het oude druivensap,
En vast herstel ik weer langzamerhand."

Terwijl zij aldus saam te spreken trachtten,
Zag één de maan, waarop ze allen wachtten,
En allen riepen: "Broeders, 't feest begint weer;
De vast' is uit, en uit is 't met ons smachten." * 



O, vul het welkend Leven mij met Wijn,
En wasch mijn lichaam, als het dood zal zijn,
En wikkel 't in een kleed van wingerdloof;
Begraaf mij in mijn tuin bij maneschijn,

Dat zelfs mijn asch, wanneer ik ben verscheiden,
Zoo'n lust van zoete geuren zal verspreiden,
Dat elk geloovige, die zijne schreden
Richt langs mijn graf, een wijl bij mij zal belden.

De afgoden, die 'k eerde in mijn leven,
Hebben me in 's menschen oog veel kwaad bedreven,
Mijn eer verdronken in een troeblen beker,
Mijn goeden naam aan laster prijs gegeven.

Ja, waarlijk, vaak genoeg zwoer ik te voren
Berouw - maar heb ik 't wel in ernst gezworen?
Want lente kwam, en bracht weer nieuwe rozen,
En zoo ging mijn berouw ook weer verloren.

Wel, hoeveel kwaad de gulden wijn ook doet,
En hoe 'k mijn lust naar wijn ook heb geboet:
Vaak vraag 'k mij af, wat wel de herbergier
Koopt, half zoo kostbaar als zijn eigen goed.

Helaas, dat Lent' ons mèt de Roos verlaat,
En dat de jeugd zoo korten tijd bestaat:
De nachtegaal, die in de boomen zong,
Wie weet, vanwaar hij kwam, waarheen hij gaat?

O, Lief, dat het ons beiden waar' gegeven,
De heerschappij te voeren over 't Leven:
Zouden wij 't niet vernietigen, en samen
Naar een veel grootscher, blijder Wereld streven?

O, liefste, die mijn lust niet kunt ontvliên,
Des hemels maan komt nieuwen lust ons biên;
Hoe vaak zal zij ook later, als zij rijst,
Mij zoeken in deez' tuin - en mij niet zien?

En wendt g'eens zelf Uw voet met lichten pas
Tusschen de gasten, uitgespreid in 't gras;
Bereikt gij op Uw blijden tocht de plaats,
Waar ik eens lag, o, pleng een ledig glas.

EINDE.



AANTEEKENINGEN.

* De jager van het oosten = de zon.

* De kroeg = de tempel, waarin het leven en de levensvreugd vereerd worden.

* Het Nieuwe jaar, dat begon met onze Lente volgens den kalender van Jamshyd, door Omar Khayyam verbeterd. Het Nieuwe jaar begon met feesten en overpeinzingen.

* Exodus IV, 6: "En de Heere zei verder tot hem: "Steek nu uwe hand in uwen boezem. En hij stak zijne hand in zijnen boezem; daarna trok hij ze uit, en zie, zijn hand was melaatsch, wit als sneeuw.
De legende wil, dat, na deze gebeurtenis, Mozes, evenals Jezus, genezen kon door handoplegging.

* Iràm, een mythische stad, ergens in het zand van Arabië verzonken.

* Jamshyd = "de stralende", een der koningen uit de legendarische Peeshdádian-dynastie, die een beker had met zeven ringen, waaruit hij de toekomst kon voorspellen.

* Péhlevi = de naam van het oude Perzische Sanskriet; bij overdracht: spraak of geluid.

* Kaikobâd, een Perzische koning, behoorende tot de mythologische Kayânî-dynastie.

* Zal en Rustum: twee bekende helden uit de Perzische mythologie; Hatim Tai: een Perzische Lucullus: de spreekwoordelijke gastheer en smulpaap.

* De trom, die ginder klinkt: de trom, waarmee de kwakzalver op het marktplein tracht, klanten tot zich te lokken; dus, overdrachtelijk: let niet op het gepraat van hen, die mooie beloften doen.

* Het Gulden Graan = de wijn.

* Jamshyd (zie voren) stond bekend als een gul gastheer.

* De ezel: = Bahram, de Nimrod der Perzen, jaagde het liefst op wilde ezels.

* Muezzin: De man, die van den moskee-toren de geloovigen oproept voor het gebed.

* Hem = de wijze. Zie het vorige couplet.

* Zeven heem'Ien: Volgens liet wereld-systeem van Ptolemaeus wentelden zich rond de onbewegelijke aarde negen concentrische bollen, waarvan de zeven eerste genoemd werden naar 1 de maan, 2 Mercurius, 3 Venus, 4 de Zon, 5 Mars, 6 jupiter, en 7 Saturnus. Van daar ook Saturnus' troon.

* Dubbel zijn: Omar drukt hier zijn twijfel uit aan de pantheïstische meening van de geleerden van zijn tijd, dat er slechts één eeuwig wezen is, waaruit alle andere phenomena eeuwig emaneeren, en waarheen ze ook weer terugkeeren.

* De beker: zie vorig couplet: "Toen zegd' ik aan mijn beker mijn begeeren" etc.

* De koude lip = de rand van den beker. 

* De karavaan: de karavaan van 't menschelijk bestaan, die slechts één nacht op de rustplaats van het leven toefde, om dan weer in het niet te verdwijnen.

* De bal = De vergelijking van den mensch met den bal in het reeds bij de Perzen bekende polo, is, zooal vreemd, toch origineel.

* De Vinger = De vinger, die het boek des levens schrijft.

* Kûza-Nâma = Pottenboek. De vergelijking van God met een pottenbakker is in het Perzisch vrij populair.

* Ramazan = de heilige vastenmaand. Hierop slaat ook in het achtste vers de vreugde over de nieuwe maan, die het einde van de vasten aankondigt, zoodat de bekers nu weer kunnen worden gevuld.

* Dit vers is het laatste van de zoogenaamde Kûza-Nâma.

* Onder het weinige, wat we met zekerheid van Omar Khayyam weten, is de anecdote, dat hij, toen hij zich in 1112 te Balkh bevond, de voorspelling uitte: "Mijn graf zal zijn op een plaats, waar de boomen tweemaal 's jaars hun bloemen over den grond zullenstrooien". Volgens zijn vriend en vereerder Nizâmî Arûzî uit Samarkand, die in 1135 zijn graf te Nîshâpur bezocht - Omar was in 1123 gestorven - was deze voorspelling inderdaad uitgekomen.

Naar boven